Tussen rust en rusteloosheid

Tussen rust en rusteloosheid

  1. Inleiding

Wij leven in een onrustige tijd en een verontrustende wereld. Kunnen we wel ooit tot echte rust komen? Onze wereld is in voortdurende beweging en is erg luidruchtig; van alle kanten worden we bestookt door berichten en boodschappen, door tekens en teksten, door beelden en prikkels die onze aandacht opeisen. Het kost moeite om ons daaraan te onttrekken door in onszelf rust te vinden, door dus afstand te nemen tot de buitenwereld en los te komen van de beslommeringen en zorgen van alledag.

Dit vermogen om zich in zichzelf terug te trekken door een zekere afstand te nemen tot de buitenwereld en het heden is waarschijnlijk typisch menselijk. Het veronderstelt immers een hiaat tussen aandrang en neiging, en anderzijds reactie, handeling, activiteit. Als mens kunnen we de tijd nemen door reacties even uit te stellen tot we onze keuze hebben gemaakt, tot we hebben nagedacht. In die zin vallen we nooit helemaal samen met onszelf, zit er in ons een negatief moment. Daarom is de mens wel de ‘nee-zegger tegen het leven’ genoemd (Scheler). Dat negatieve moment in onszelf is een belangrijk antropologisch kenmerk, een ‘antropinon’. Het vermogen tot het nemen van afstand, het onderhouden van een zeker voorbehoud, zowel tegenover de buitenwereld als tegenover onszelf, is een voorrecht maar ook een last voor ons.

Op de keper beschouwd, veronderstelt ook het filosoferen dit negatieve: het is bij uitstek de methodische uitoefening van het afstand nemen en voorbehoud bewaren, de cultivering dus van het uitstel, het hiaat die het onderscheidende van Homo Sapiens vormt. Filosofie verkent immers de mogelijkheden om zichzelf en de wereld tot object van beschouwing te nemen, om te vragen en te twijfelen. Ze is mogelijk en nodig omdat de mens nooit met zichzelf samenvalt, maar steeds op zoek is naar zichzelf en de werkelijkheid als geheel. Ze wordt voortgedreven door een chronische rusteloosheid, een diepe, ‘metafysische’ onrust omdat een bestaan dat zich niet van zijn principes en fundamenten bewust is, niet echt de moeite van het leven waard is. Maar de paradox is dat ze er anderzijds naar streeft om wel degelijk tot rust te komen dankzij een veelomvattend inzicht in de werkelijkheid en onze plaats erin, dus tot wijsheid. Het is alleen de vraag of dit wel mogelijk is, gegeven onze hedendaagse onrust en misschien ook de verontrustende ontwikkelingen van deze tijd. Moeten we wellicht toch berusten in een onvermijdelijke rusteloosheid? Dit is de vraag die ik me vandaag wil stellen en waartoe ik hier enkele verkennende excursies wil maken.

  1. Engagement en revolte

Er bestaan redenen om het onwenselijk te achten dat we ons in onszelf – ons innerlijk – terugtrekken om rust te vinden. De wereld – ik bedoel hier: de mensenwereld, de samenleving, de maatschappelijke en politieke situatie – kan onze ergernis en verontwaardiging oproepen wanneer we denken aan het onrecht dat heerst, de ongelijkheid, de gewelddadigheid jegens bepaalde mensen en groepen, xenofobie, nationalisme en racisme, kortzichtigheid en egoïsme. Zijn we niet moreel verplicht om ons in te zetten voor een betere wereld, een wereld zonder oorlog en geweld, zonder discriminatie en uitbuiting enz.? Moet ik me dus niet maatschappelijk en politiek engageren, dus keuzes maken en me niet terugtrekken in zelfgenoegzaamheid? Mijn potentiële innerlijke rust opgeven en beseffen dat filosofie niet mag volstaan met louter zelfbezinning en zelfinkeer, maar kan en moet leiden tot verzet, zelfs tot revolte en revolutie?
In plaats van het bekende ‘Cogito ergo sum’ van Descartes zou ik dan moeten stellen: ‘Ik kom in opstand, dus ik besta’, of nog beter: ‘Ik revolteer, dus we gaan samen de maatschappij veranderen’. Ik herinner aan de bekende uitspraak van Marx dat ‘de filosofen de wereld verschillend hebben geïnterpreteerd’, maar dat het er nu op aankomt ‘haar te veranderen’. Dit wil zeggen: de filosofie kan zich pas verwerkelijken door zichzelf op te heffen (als ‘slechts’ theorie). Het is duidelijk dat ook en juist dit het vermogen tot negatie vooronderstelt waartoe de mens in staat is, maar dan begrepen als daadwerkelijke verandering van het bestaande (en niet alleen als het in gedachten afstand nemen tot die situatie). De mens ontdekt zijn echte wezen pas in en door revolte en revolutie (cfr. Camus!). Daarom moet de ware filosoof een revolutionair worden. En hij/zij kan pas ooit tot rust komen, wanneer en nadat een ideale maatschappij is gerealiseerd waar onrecht en uitbuiting tot het verleden behoren.
Dankzij de recente geschiedenis zijn we ons ervan bewust geworden wat de gevaren zijn van deze zelfopheffing van de filosofie, want de Franse en Russische Revoluties zijn beide uitgelopen op onderdrukking en terreur. We kennen nu, na de dramatische geschiedenis van de laatste twee eeuwen, het grote gevaar van elk idealisme en utopisme omdat concrete mensen en toestanden worden opgeheven en opgeofferd aan de zuiverheid en perfectie van een utopisch en politiek project. Het realiseren van de ideale maatschappij leidt tot dogmatisme en een soort inquisitie, de opvolger van die onder het Christendom ageerde. De revolutionaire uitvoerders van het marxisme of historisch materialisme legitimeerden hun positie omdat ze claimden dat het de belichaming zou zijn van de onafwendbare beweging van de geschiedenis zelf, van de historische wetmatigheid dus. In naam van de historische noodzaak en de revolutionaire rede zijn miljoenen mensen vermoord, verdreven en anderszins onderdrukt. Achteraf mogen we zeggen, denk ik, dat één van de beslissende factoren bij dit gebeuren gelegen is in de idee of waanidee van een ‘voltooiing van de geschiedenis’ die uiteindelijk tot rust komt in een klasseloze maatschappij zonder uitbuiting van de ene mens door de andere. Een nobel ideaal met desondanks fatale implicaties waarvan de bron deels is gelegen in Hegels filosofie. Hegel heeft immers het proces van de zelfbewustwording van de menselijke geest doordacht dat uitkomt op een absoluut moment, een voltooiing waarbij de menselijke geest inzicht verwerft in wat de werkelijkheid beweegt en zijn plaats hierin doorziet; zichzelf geniet in een zelfaanschouwing. Marx heeft dit in een materialistische zin omgeduid, namelijk dat de mensheid zichzelf ontmoet in een wereld die ze daadwerkelijk tot stand heeft gebracht dankzij haar verenigde arbeid. In beide gevallen zou de geschiedenis zijn voltooid. En beide denkers pretenderen in hun filosofie een soort absolutum te hebben bereikt.

  1. Terug naar het individu

In het licht van het voorafgaande concludeer ik dat de zelfopheffing van de filosofie in de politieke praxis levensgevaarlijk is gebleken. Het revolutionaire project liquideerde immers de privé-ruimte van het individu (als een burgerlijk residu). Het bracht met zich mee het offer van het vrije intellect, van het vrij denkende individu in dienst van het gezamenlijke project van de uitvoering van de ‘historische noodzaak’. Een kritische intellectueel was – en is – zeer verdacht voor elke dictatuur zoals destijds de communistische van de Sovjetunie. Ik concludeer daarom dat een filosoof/intellectueel zich nooit zonder reserves en voorbehoud mag uitleveren aan enig politiek en/of utopisch project, maar dat het tot zijn/haar opdracht behoort een kritische afstand te houden. Met andere woorden: ik kom weer terug bij het belang van het zich, op zichzelf bezinnende individu, dus van een privé-ruimte, een innerlijkheid die niet mag zwichten voor de macht van de staat, van enig dogmatisme en orthodoxie, ook al pretendeert die de uitdrukking te zijn van het Goede en Ideale en van de onvermijdelijke loop van de geschiedenis.

Wanneer ik hier een lans wil breken voor het kritische en autonome individu dat zich nooit mag vereenzelvigen met welke politieke en maatschappelijke project en totaliteit dan ook, ontkom ik er niet aan om een bepaalde verschijningsvorm van het individu af te wijzen. We leven in een tijd van groot individualisme, in een maatschappij die een diepgaand proces van individualisering heeft doorgemaakt dat samenhangt met haar economie en technologie. Meer en meer zijn we ‘eenlingen’ geworden die als eenlingen produceren en consumeren en in hoge mate zich hebben losgemaakt van de banden van familie, gemeenschap, volk en traditie. Elkeen volgt zoveel mogelijk de bevrediging van zijn of haar behoeften op de ‘markt van het leven’, die meer en meer een wereldmarkt is geworden. Daarbij hebben we de overtuiging dat we uniek zijn, helemaal ‘onszelf’ zijn, dus ook de ontwerper en uitvoerder van ons eigen leven in een hoge mate van autonomie.
Maar het is mijns insziens de vraag of we wel zo autonoom zijn als we denken, in het licht namelijk van de massieve en vaak verborgen druk die op ons allen wordt uitgeoefend door de voortdurende technologische innovaties en dus de moderne apparaten die ons beïnvloeden, door de macht van de economische structuren, dus van markt, commercie, geld en vooral ook van mode en reclame, dat propaganda-middel van het laat-kapitalisme. Van al deze instanties en tendensen gaat een massieve druk en dwang uit ter uniformering die op allerlei, veelal heimelijke en verborgen manieren erin slaagt ons individualisme om te buigen tot een uniformisme en conventionalisme. Zodat – paradoxaal genoeg – de massamaatschappij toch kan samengaan met een ogenschijnlijk individualisme en de massamens desondanks de illusie heeft uniek te zijn.

  1. Het authentieke individu

In mijn ogen is het dus nodig om op zoek te gaan naar het echte, authentieke individu. Dus iemand die werkelijk min of meer autonoom is, zoveel mogelijk onafhankelijk van wat de consumptiemaatschappij ons voortdurend opdringt. Dus iemand die bestand is tegen het onophoudelijk gezwets en gepraat van reclame en de media, van amusement en vertier, van modes en stromingen. Die het bovendien aandurft om niet voortdurend ‘online’, ‘connected’ te zijn met anderen, met de wereld. Ik stel dat zelfs een zekere afzondering en dus eenzaamheid, alleen-zijn, vereist is voor authenticiteit. Dit in contrast tot hetgeen van het massa-individu wordt verwacht: dat het zijn privé-leven, zijn innerlijkheid zoveel mogelijk in het openbaar toont, dat het transparant is, dat het aan ‘emotioneel exhibitionisme’ doet. Met een mobieltje, met een smartphone, met facebook zijn we nooit meer alleen, maar steeds bereikbaar, aangesloten op een wereldwijd netwerk, openstaand voor alle invloeden van de massamaatschappij, waaronder haar reclameslogans. Dankzij de modernste apparaten en uitvindingen worden we bijna permanent omringd en beïnvloed door allerlei prikkels, door gepraat en gedruis. Geen wonder dat we overbelast en soms overspannen worden, dat we nooit ‘tijd’ hebben, dat we door onrust, jachtigheid en het hoge tempo van leven en werk zelden meer echt tot rust komen, zelfs nauwelijks tijdens onze vakanties.

Na een omweg ben ik dus teruggekomen op de wenselijkheid van rust temidden van de onrust van onze tijd. Want onze samenleving bevordert structureel onrust en rusteloosheid. Daardoor gaat het vermogen om zich te concentreren bij veel mensen sterk achteruit, want hun aandacht wordt voortdurend afgeleid en verstrooid, een chronische kwaal in de (laat)moderne maatschappij. Vandaar dat het laatste decennium een beweging is opgekomen die pleit voor ‘mindfullness’ als tegenwicht en therapie tegen deze verstrooiing en het gebrek aan aandacht. Ik moet dan denken aan de utopie die Aldous Huxley heeft geschreven, niet Brave New World – zijn anti-utopie –, maar Island. Daarin komt iemand terecht op een afgelegen eiland waar een vogel – papegaai, beo – rondvliegt die voortdurend roept: ‘attention, attention, please’. Op dit eiland is een min of meer ideale samenleving gecreëerd die sterk door het boeddhisme is geïnspireerd, waarin – zoals we weten – dit vermogen van het hebben van aandacht voor het hier en nu, in hoge mate is ontwikkeld.

Met andere woorden: om een authentiek individu te zijn, is vereist dat men zich in zijn/haar innerlijkheid kan terugtrekken, dat men in staat is tot een zekere afzondering en eenzaamheid. Een afzondering die niet inhoudt dat men zich, als een heremiet, volledig afsnijdt van omgang met andere mensen, maar dat men voldoende ruimte en rust inbouwt om zichzelf te zijn en afstand te nemen van wat ‘men’ doet en denkt, tot de vele vormen van beïnvloeding door de omgeving van de technisch-kapitalistische maatschappij. De helden van onze tijd – de ‘celebrities’ en de VIP’s – gedijen erg goed in de wereld van consumptie, commercie en amusement. Ze zijn de producten van de passies van de consumptiemaatschappij, ze bezitten een persoonlijkheid en een innerlijk die transparant en publiek zijn geworden en waaraan velen zich vergapen en waarmee ze zich kunnen identificeren.

In mijn ogen zijn dit geen authentieke individuen; ze vertegenwoordigen bij uitstek de vervreemding van het massa-individu in onze tijd. Deze ‘celebrities’ staan in tegenstelling tot de pregnante persoonlijkheid die ik op het oog heb, mensen van het kaliber van Socrates, Lao Tse, Marcus Aurelius, Jezus, Boeddha, Augustinus, Thoreau, Gandhi, Schweitzer, Kierkegaard, Nietzsche, Camus, Thich Nhat Hanh en anderen. Een dergelijke persoonlijkheid vindt een zeker rustpunt in zichzelf en is in hoge mate onafhankelijk – autonoom dus – van de maatschappelijke invloeden om hen heen. Ze volgen een soort innerlijk kompas – een ‘daimon’ noemde Socrates het – die hen leidt en oriënteert in hun leven. Ze hebben dus een spirituele bron in zichzelf, het zijn eenlingen die desondanks andere mensen kunnen inspireren en voorgaan. Want solitair-zijn en solidair-zijn sluiten elkaar geenszins uit.

Hoewel deze individuen een geestelijk centrum in zichzelf vinden en om die reden zelfgenoegzaam zijn, zijn ze niet zelfingenomen in die zin dat ze pretenderen volstrekt autonoom, de gelijken van God te zijn. De paradox is dat ze zich deel weten van een omvattender werkelijkheid waarop ze betrokken zijn en waardoor ze zich gedragen weten. Dit kan de christelijke, dus persoonlijke God zijn, het kan evenzeer een onpersoonlijk Lot of Fatum zijn dat de wereld beheerst, of een Kosmische Orde of Levensstroom die hen voedt, of ten slotte de Geschiedenis, met name de Vooruitgang van de menselijke soort naar steeds groter eenheid, vrijheid en menselijkheid. Het besef om deel te hebben aan een omvattender totaliteit, erdoor gevoed en gedragen te worden, kan zich voordoen in de vorm van een plotselinge en ingrijpende wending in hun leven, een soort mystieke ervaring van eenwording, een grenservaring in hun bestaan die zo’n persoonlijkheid voortaan de rust geeft en het vertrouwen om stand te houden ten overstaan van de wisselvalligheden van het bestaan, tegenover ongeluk en tegenslag, oorlog en ellende, pijn en onrecht.

  1. Voorlopigheid

Ik noemde de christelijke God als een van de invullingen van die diepe, omvattende werkelijkheid waarop zo iemand zich kan betrokken voelen en waarin hij/zij een rustpunt vindt – zoals Augustinus het heeft uitgedrukt: ‘Mijn ziel is onrustig totdat hij zijn rust vindt in U’. In dit geval vindt men een rustpunt en steunpunt in een als absoluut ervaren instantie en doet de altijd twijfelende rede er ten slotte het zwijgen toe. Want men heeft ervoor gekozen te gelovenen overschrijdt dus de grens van het domein van de rationaliteit. Nu is er een brede schemerzone tussen religie en wijsbegeerte waarop ik hier niet verder wil ingaan.

Ik beperk me ertoe erop te wijzen dat de filosofie van de laatste twee eeuwen erg terughoudend is geworden om zich op een of andere manier te oriënteren op absoluta van welke soort dan ook. Men heeft meer en meer afstand genomen ten opzichte van de ambities en pretenties van de grote systemen van vroeger (Hegel!) die pretendeerden te weten wat de wereld ten diepste zou bewegen, die het wezen der dingen ter sprake wilden brengen, die uitkwamen op uitspraken omtrent de totaliteit. Kortom, men is voorzichtiger en bescheidener geworden, men heeft gebroken met de zelfoverschatting van de rede en is inmiddels doordrongen van de ontoereikendheid, onvolledigheid en voorlopigheid van al onze kennis. Maar als je niet meer – zoals ikzelf – je kunt of wilt overgeven aan de vermeende zekerheden van geloof en religie waarin je rust en steun kunt vinden, wat blijft er dan nog over?

  1. Afsluiting

Op het einde van mijn voordracht kom ik terug op de vraag die ik (me) in het begin stelde: kunnen we wel tot rust komen in een onrustige tijd en een verontrustende wereld? Ik vat ten slotte mijn eigen standpunt hierover samen en ik begin met te stellen dat we in ieder geval trouw moeten blijven aan de metafysische onrust die elk wijsgerig vragen en zoeken in de diepte drijft, maar tegelijkertijd genoegen moeten nemen met de voorlopigheid en betrekkelijkheid van al onze kennis. Daarin kan onze wijsheid bestaan. Anders dan in de godsdienst moeten we ermee leren leven dat we vragen hebben waarop geen definitief antwoord bestaat, dat we dus een verlangen hebben waarvoor geen vervulling is, kortom: dat we moeten leven met wat ik zou noemen een wereldbeschouwelijke ascese.

Dat we deze fundamentele onrust moeten accepteren, hoeft geenszins afbreuk te doen aan onze betrokkenheid bij de buitenwereld, bij al datgene wat onze ergernis, onze verontwaardiging en verontrusting kan opwekken. We kunnen doorgaan ons te engageren in allerlei maatschappelijke en politieke kwesties, een standpunt kiezen in belangrijke kwesties van onze nogal getourmenteerde tijd. En we zouden dat idealiter kunnen doen zonder ons uit te leveren aan enige partij, utopie of systeem, en bovendien vanuit de kracht van een innerlijke rust en een zekere gelijkmoedigheid, hoe moeilijk dit ook moge zijn. We zouden moeten streven naar onverstoorbaarheid zonder onverschilligheid, laat staan cynisme. Op dit vlak kunnen we ons laten inspireren door zowel het stoïcisme als het (zen)boeddhisme (trouwens een mooi voorbeeld van de convergentie in twee verschillende culturele tradities tot een enigszins vergelijkbare positie!). Die onverstoorbaarheid en sereniteit houden in dat we onze verwachtingen niet te hoog moeten spannen en bovendien dat we ons niet moeten hechten aan de vruchten van onze inspanningen, een inderdaad moeilijke opgave die een grote innerlijke rust en moed vereisen. In mijn opvatting kan filosofie op die manier bijdragen tot een zekere sereniteit op basis van diepe onrust, tot luciditeit zonder illusies nadat de valse absolutaen onze idolen zijn ontmaskerd.

(deze tekst lag tevens aan de basis van de lezing op het Feest van de Filosofie, Leuven, STUK, 1 april 2017)

 


 

    Een schilder van onze tijd — In memoriam John Berger (1926-2017)

    Een schilder van onze tijd — In memoriam John Berger (1926-2017)

    Een schilder van onze tijd — In memoriam John Berger (1926-2017)

    Leermeesters heb je nooit teveel. Vaak kan je ze op één hand tellen. En meestal weet je pas en cours de route – jaren later dus – wie je echte leermeesters zijn of waren. John Berger is er – voor mij althans – één. Nu is hij… ja, god weet waarheen. Dood, zeggen we dan. Maar dat doet hem, of beter: zijn leven en werk tekort. Want hij is er nog altijd: in woorden, in beelden, in gedachten. Op papier of pellicule.

     

    Hij: ‘Als iemand sterft, is het niet louter een kwestie van fijngevoeligheid, dat je zegt: wie weet kunnen we dit verhaal vertellen. Want een leven kan je pas ná iemands overlijden lezen. Eerder is het leven niet leesbaar.’ — Zij [sceptisch]: ‘Iemand die op z’n 37ste sterft, is toch niet vergelijkbaar met een 77-jarige?’ — Hij [gedreven]: ‘Klopt, maar het kan ook zijn dat iemand op z’n 90ste sterft. Ook dán pas wordt het leven leesbaar. De verteller kan van dan af met het verhaal beginnen.’ [John Berger en Susan Sontag in gesprek, 1983, ‘To Tell a Story’, Voices, Channel 4]

     

    Op maandag 2 januari 2017 stierf de Britse schrijver-activist John Berger op 90-jarige leeftijd. In 1962 – op het toppunt van zijn carrière – emigreerde hij naar Genève en kort daarop naar een bergdorpje in de Franse Alpen. Daar schreef hij zijn belangrijkste essays en romans. Berger was een linkse intellectueel en kunstcriticus met een scherp oog en een vileine pen, die zichzelf liever ‘balling’ noemde in een almaar uitdijende neoliberale wereld. Hij schreef ook voor theater en filmscenario’s, maakte documentaires en spraakmakende tv-programma’s. Ondanks zijn zelf opgelegd isolement, was hij tot op het laatst strijdvaardig en een gerespecteerde publieke stem. Vorig jaar kwam de documentaire The Seasons in Quincy uit, waarbij een collectief van filmmakers – met o.a. Tilda Swinton – een gevoelig, veelzijdig portret van hem maakten.

     

    In de Engelse letteren is John Bergers stem ongeëvenaard. Zijn stijl is uniek en wars van conventies. Hij laat zich niet in een strak literair keurslijf vatten. Genereus mengt Berger alle genres: verhalen, gedichten, brieven, essays. Foto’s, tekeningen of reproducties – van bevriende kunstenaars of oude meesters, maar ook van hemzelf – zijn vaak evenwaardig aan de tekst. En net zo goed leest hij voor of vertelt hij, mét of zonder camera. Treffend is de typering van Jeanette Winterson: ‘Passie is wat John Berger kenmerkt. Er is niets afstandelijks aan deze man. Hij hanteert gedachten zoals een schilder verf gebruikt en je kunt zijn taal bijna aanraken.’

     

    John Berger – van bescheiden komaf – wilde aanvankelijk beeldend kunstenaar worden. Maar al vlug merkte hij dat hij al schrijvend meer kon betekenen. Zelf zegt hij hierover in 2010: ‘Het was een bewuste keuze met schilderen te stoppen en te gaan schrijven, hoewel ik altijd ben blijven tekenen. Er waren voor mij te veel prangende kwesties om mijn leven aan schilderen te wijden. En de grootste urgentie was de dreiging van een nucleaire oorlog – het risico kwam natuurlijk uit Washington, niet uit Moskou.’ Het was het begin van de Koude Oorlog.

    Berger zou heel zijn leven een uiterst kritische, dwarse denker blijven. Hij noemde zichzelf – ‘naast allerlei andere zaken’ – een ‘marxist’, al was hij nooit lid van een communistische partij. Je zou hem een naoorlogse Britse Multatuli kunnen noemen. Een atypische denker-duizendpoot, al beschouwde hij zich vooral als een ‘verteller’ die – onafhankelijk van elke ideologie of instelling – spreekt in naam van wie veelal geen stem heeft: Afro-Amerikanen, gastarbeiders, plattelandsbewoners, vluchtelingen, Palestijnen en andere vervolgde etnische groepen. Zijn omvangrijk oeuvre is in vele talen vertaald en krijgt wereldwijd aandacht.

    Bergers cultuurkritiek en literaire stem zijn nog het meest verwant aan de joodse denker-flaneur Walter Benjamin, die in 1940 voortijdig uit het leven stapte. Met hem deelt hij de opvatting dat de massamedia de samenleving zodanig hebben veranderd dat de dagelijkse ervaring van de werkelijkheid niet meer authentiek is. Sterker nog: door onze verzadigde blik zijn we niet langer in staat de werkelijkheid te ervaren. We ondergaan, we beleven slechts. Onbewust nemen we informatie tot ons, uit een ongeordende, niet aflatende stroom van beelden en boodschappen die niet langer in een gemeenschappelijke traditie zijn ingebed. Dit heeft ook gevolgen voor de artistieke expressie en de manier waarop wij vandaag naar kunst kijken.

    Berger werd vooral bekend met de vierdelige BBC-reeks Ways of Seeing uit 1972 [intussen op YouTube]. Eigengereid zette hij het medium televisie naar zijn hand, maar nodigt de toeschouwer uit om zijn verhaal niet zomaar te slikken. In de openingsscène snijdt hij zelfverzekerd met een cutter de vrouwenfiguur uit een (namaak)schilderij van Botticelli’s Venus en Mars. Met de onbevangen blik van een kind benadert hij allerlei meesterwerken. Door te vertrekken van de beelden zelf leert hij het publiek anders kijken. Tegelijk stelt hij indringende vragen over de verborgen ideologieën in het beeld. Zo maakt hij brandhout van de aloude, vertrouwde westerse kunstbenadering. Die noemt hij elitair, blasé en ronduit seksistisch. De gedrukte versie van Ways of Seeing [Anders zien] groeide – in de nasleep van de jaren ’60 – uit tot een cultboek in progressieve kunstmiddens aan beide zijden van de Oceaan.

    In 1972 ontving John Berger ook de prestigieuze Booker Price voor G., een experimentele Bildungsroman zonder duidelijke verhaallijn, verteld vanuit het standpunt van diverse protagonisten, met afwisselend beschouwende commentaren. Als lezer ga je in het grillige voetspoor van een jongeman die op de vooravond van de Eerste Wereldoorlog een reis maakt door Europa en zowel seksueel als politiek ontluikt. Toen Berger tijdens de uitreiking aankondigde dat hij de helft van het prijzengeld aan de zwarte burgerrechtenbeweging Black Panthers schonk, wekte dit enorm schandaal. Hierdoor ‘keert de prijs zich tegen zichzelf’, zo stelde Berger onomwonden, hiermee verwijzend naar de slavenhandel uit Afrika voor de suikerplantages in de Caraïben waarmee de sponsor zich al eeuwenlang verrijkte.

    In zijn laatste roman Van A tot X (2008) – een beklijvend ‘brievenboek’ waarin de liefde tussen twee mensen tot haar uiterste grenzen weerstand biedt tegen de onmenselijke gevestigde orde, en verplichte lectuur is in deze tijden van veelkoppige terreur, angst en onderdrukking – schrijft de intussen 72-jarige Berger: ‘We zijn niet de gevangenen van het verleden. We kunnen precies doen met het verleden wat we willen, maar de consequenties ervan kunnen we niet ontlopen.’ Het is dit realistische maar hoopvolle adagium dat onverminderd met slagkracht en met verve doorklinkt in zijn hele oeuvre. Elk woord, elke zin, elke summiere lijn van zijn (teken)hand ademt maatschappelijke betrokkenheid en doorleefde eenvoud. ‘Waar weinig anders is, zijn woorden belangrijk,’ zo stelt hij. En handen. De hulpeloze, vaardige, altijd te lege ‘handen die dit alles schrijven’.

    Imposant zijn niet alleen de zeer diverse thema’s die hij aansnijdt, maar ook de vele gedaantes, de vaak gedurfde expressievormen en stijlregisters. Toch staat het waarnemen – met álle zintuigen – altijd centraal. Met als inzet: kijken leidt tot ervaren en is de enige, waarachtige bron tot begrijpen. Zo benaderde hij ook allerlei vormen van artistieke expressie, met Rembrandt, Caravaggio, Goya, Courbet, Neizvestny en Francis Bacon als zijn favoriete (rebelse) kunstenaars. Hij trachtte te luisteren naar kunstwerken en ze – van binnenuit – tot spreken te brengen.

    ‘Een verhaal gaat nergens naartoe, het is er gewoon. […] Romans gaan over Wording, terwijl een vertelling altijd verwijst naar wat voorbij is. Maar wel zodanig dat een vertelling feiten kan bewaren en onthouden. Dit is niet zozeer een kwestie van herinnering als wel van het gelijktijdige bestaan van verleden én heden. Verhalen gaan over het Zijn. […] Ze gaan over het leven zelf en worden verteld aan mensen die nog onverminderd geloven dat het leven een verhaal is.’
    [John Berger, ‘Márquez: The Secretary of Death Reads it back’, in: New Society, 61, 1982]

    John Berger voelde zich in de eerste plaats chroniqueur, een dolende, kritische stem – nergens thuis, maar geestelijk vrij en ongebonden. Zoals Velázquez’ Aesopus, op één van zijn lievelingsschilderijen, en zoals Gabriel García Márquez met wie hij zich erg verwant voelde. ‘We maken van ons leven een verhaal om onszelf een kern te verschaffen, we dissen elkaar verhalen op om onszelf niet te verliezen. We blijven vertellen, verzinnen en herinneren – lees: beelden aan elkaar rijgen – om houvast te hebben.’ Zo wordt vertellen een levenshouding, een noodzakelijk ritueel. ‘De enige verdediging tegen de oprukkende tijd en ruimte’, zoals Berger het formuleert in En onze gezichten, mijn hart, vluchtig als foto’s (1984).

    In 1975 stellen Berger en de Zwitserse fotograaf Jean Mohr een collageboek samen over economische migranten in Europa. Jaren later geeft hij in een interview te kennen dat hij zich erg trots voelt over A Seventh Man. ‘We gingen recht op ons doel af. Nee, dit is geen boek voor sociologen – wat zou dat! –, maar voor de anonieme, stemloze gastarbeiders zelf.’ Elders schrijft hij kernachtig: ‘Je kiest je verhaal niet. Je leeft het, zodat het – ná jou – kan worden doorverteld.’ Berger was er vast van overtuigd dat elk geleefd of verteld verhaal zinvol is, betekenis heeft. En hij voelde het als zijn plicht om die verhalen te verzamelen en aan de vergetelheid te ontrukken.

    ‘Het verbazende van wat ik waarneem of me verbeeld, zit in het bijzondere’, laat hij zich al aan het begin van zijn schrijversbestaan ontvallen. Aan die stelregel bleef hij zijn hele leven trouw. Dit blijkt vooral ook in Ten Huwelijk(1995). Deze indringende roman over verlies en levensvreugde is opgevat als een meerstemmig kwartet waarin je als lezer de genadeloze tijd voelt kloppen. Als een reeks ritmische hartslagen. In de muziek ‘vormen hoop en verlies een paar’. En als de tijd ritme is – zoals in de muziek – ‘dan bestaat de eeuwigheid daartussenin’. Alsof Berger je wil zeggen: wie ontvankelijk luistert, danst mee met het bruidspaar en zit in het verhaal, wie vraagt naar de zin ervan, doorbreekt de magie, stapt eruit en ‘vraagt naar wat onuitspreekbaar is’. Aan elk verhaal komt natuurlijk een einde, maar ‘de belofte van elk verhaal’ is dat het met anderen kan worden gedeeld. ‘Echte verhalen confronteren je met je sterfelijk lot,’ dat je nu eenmaal alleen moet dragen, ‘al laten ze je nooit eenzaam achter.’

    In zijn magistrale romantrilogie De vrucht van hun arbeid [onlangs opnieuw verschenen bij uitgeverij Schokland] ontpopte Berger zich tot een klassieke verteller. In Varken aarde (1979), Weg van Europa (1987) en Sering en vlag(1990) brengt hij de teloorgang in beeld van de traditionele landbouwcultuur waarin hij jarenlang leefde. Door talloze levensverhalen te vertellen tracht hij inzichten en ervaringen aan onze tijd door te geven. Hij haalt ze terug naar het nu. Meedogenloos, glashelder, liefdevol. En zo wordt wat definitief voorbij is, op slag weer brandend actueel. Het nu is immers een grote ketel waarin alle tijdperken uit de geschiedenis opborrelen en zich vermengen, zoals Octavio Paz ooit beeldrijk omschreef.

    Bij Berger wordt vertellen een vorm van persoonlijke geschiedschrijving. Niet van jaartallen, plekken of gebeurtenissen, maar zoals een landschap boordevol geheugen zit. Ogenschijnlijk fragmentarisch, maar daarom niet minder levensecht. Hij nodigt je uit om je vaste kaders en zekerheden te herzien en te herdenken. Op de vraag: ‘Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan?’ luidt Bergers antwoord: ‘Gebruik je hart en je verbeelding en herteken de kaart van je leven.’ En bij uitbreiding ook die van de wereld, de (kunst)geschiedenis…

    Maar wees voorbereid: verbeelding leidt nergens toe. Ze brengt je thuis bij jezelf. Hoezo? Het is niet ingewikkeld, probeer het gewoon eens. Met gewone lucht. Geen parfum, maar de eerlijke zompige geur van aarde en regen. En gebruik je twee ogen, zoals een koe. En besef, zoals Berger schrijft in Waarom naar dieren kijken? (1977): ‘Het veld waarop je staat, weerspiegelt de afmetingen van je eigen leven.’ Maar haast je, want de dieren waarmee we nog een intieme, ‘ogenblikkelijke relatie’ hebben, sterven in deze tijd van vluchtige, virtuele sensaties – stilzwijgend, onopgemerkt haast – uit. In het gedicht Zij zijn de laatsten (2001) klinkt het als volgt: ‘Nu ze er niet meer zijn, missen we hun duurzaamheid. Anders dan de boom, de rivier of de wolk, had het dier ogen en in hun blik lag bestendigheid.’

    ‘Tegen jou zeg ik JA, tegen het leven dat we moeten leven, zeg ik NEE. Toch ben ik trots op dit leven, trots op wat we hebben gedaan, trots op ons. En wanneer ik dat denk, word ik een derde persoon, niet jij of ik, en jij wordt diezelfde derde persoon – boven elk ja of nee verheven!’ [John Berger, Van A tot X. Een verhaal in brieven, 2008]

    Er is nog zoveel niet gezegd, er is nog zoveel dat je mensen of dieren niet kunt aandoen, zelfs al moeten we allemaal sterven. Maar alles wat John Berger nalaat – woorden, beelden, inclusief zijn leven – ligt klaar om te worden gelezen. Niet louter als boek of testament, maar als een levendig gesprek, een troostvolle vertelling te midden van het soms wrede, absurde bestaan. Ja, laten we zijn leven teruglezen én opnieuw vertellen. Zoals een tekst, want het ligt vast. Zijn woorden zijn nu voor altijd. Het is volbracht.

    Deze tekst verscheen op 7 februari 2017 in het tijdschrift MO*
    Op YouTube vind je een documentaire naar aanleiding van Bergers 90ste verjaardag begin november 2016.

    Joris Capenberghs is cultuurhistoricus en antropoloog. Hij beweegt zich – als wandelaar, publicist, vertaler en curator – op het snijvlak van landschappen, erfgoed, artistieke expressie en natuurbeleving. Hij is o.a. docent bij Amarant, Vormingplus en Davidsfonds Academie. In 2018 vertaalde hij voor Waerbeke het boek Ode aan het wandelen van de Franse antropoloog David Le Breton. 

    Over het opzoeken van stilte

    Over het opzoeken van stilte

    Dansen is bewegen. We bewegen allemaal. Heel de wereld beweegt, en dat is maar goed ook. Bewegen doet ons vooruitgaan. Maar het dansen en bewegen gaat alsmaar sneller, met steeds meer mensen en steeds meer lawaai: gonzende activiteit. Overal is er ruis. Overal is de ratrace gaande. Alles wordt op elkaar gedrukt. Drukte dus. En dus ook druk. Het lijkt ook of er altijd tijd te kort is. Heb je soms ook die indruk?
    Stilte is een heel schaars goed geworden. Waar is het nog stil? Alles wordt van een soundtrack voorzien. Is stilte dan gevaarlijk? Vaak heb ik zelfs de indruk dat mensen niet meer met stilte om kunnen gaan. Waarom hunkert men zo naar vol? Waarom elk gaatje inkleuren? Mag het niet leeg? Is stilte dan zo ongemakkelijk? En als ze ongemakkelijk is, is dat dan geen teken dat er iets niet in evenwicht is? Als ik naar mijn eigen proces kijk, was stilte voor mij vroeger eerder iets ongemakkelijks. Ik huiverde ervoor om alleen te zijn. Juist door te oefenen in stilte, heb ik die voor mezelf leren accepteren en zelfs waarderen.

    Een bewuste keuze

    Soms kan het heel nuttig zijn om even bij de dingen stil te staan, om even afstand te nemen van de drukte om je heen en weer aansluiting te vinden bij je ‘zelf ’: bewust even de pauzeknop indrukken. Ik voeg het woord bewust hier graag toe, omdat het anders toch niet gebeurt. De agenda loopt altijd wel vol, als je dat toelaat. Ik heb het af en toe echt nodig, nog veel meer dan ik zelf soms toegeef: de stilte opzoeken om echt bij de dingen om me heen stil te kunnen staan, ze volledig in me op te kunnen nemen en mijn eigen ritme te zoeken.

    De laatste jaren ben ik gaan beseffen hoe hard ik soms de stilte nodig heb. Ik wandel veel. Vaak urenlang met iemand naast mij zonder een woord te zeggen. In stilte. Dat zijn best prettige gesprekken. Het beste in communicatie is horen wat er niet gezegd wordt. Met elkaar communiceren is meer dan woorden op elkaar afvuren. Het durven inbouwen van stilte in een gesprek kun je leren: door bewust niet te praten, door met regelmaat de stilte op te zoeken en de kracht ervan zelf te ervaren.

    Om de zes weken plan ik een dag totale stilte. Ik zoek de afzondering op stilteplekken. Soms doe ik dat ook voor een langere periode van enkele dagen. Ik zonder me dan af om nieuwe zuurstof op te doen, soms helemaal alleen, soms samen met anderen. Samen de stilte dragen in een strak monnikenbestaan geeft binding: drie kwartier zitmeditatie, drie kwartier wandelmeditatie, drie kwartier zitmeditatie, drie kwartier wandelmeditatie, van ’s morgens zes tot ’s avonds tien uur. Fysiek en mentaal zwaar maar, zo blijkt achteraf, o zo verfrissend.

    Ik doe het ook vaak na een vergadering, om de overgang naar een volgende vergadering te kunnen maken. Dan las ik bewust wat tussentijd in. Ik zonder me even af op mijn kantoor. De energie laten stromen, alles losschudden, me bewust worden van mijn eigen lichaam. In drukke tijden kan dat me echt helpen. Een kwartier volstaat meestal al om alles weer helder te zien. Ik wil mensen bezielen, maar dat kan pas als ik zelf tot rust kan komen.

    In drie stappen naar stilte

    Stilte heeft niet alleen te maken met de ‘afwezigheid van geluid’. Het gaat ook over ‘stilstaan’. Het is zo belangrijk dat je af en toe uit het systeem stapt en afstand neemt, er even tussenuit knijpt, dat je de handeling waarmee je bezig bent onderbreekt. Björn Prins, ik noem hem mijn stiltecoach, heeft in zijn boek Mindful@Work het proces beschreven dat je in stilte tot jezelf kan brengen (Prins, 2010). Dat proces bestaat uit drie stappen: stoppen-landen-kijken.

    Stoppen betekent dat je de stresshouding van de doe-modus waarin 
je je elke dag onbewust bevindt, waarin je slaaf bent van jezelf en je omgeving, bewust op een milde manier doorbreekt. Dat doorbreken is een noodzakelijke stap om tot reflectie te komen. Björn Prins: ‘Op het moment dat je deze eerste stap zet, zit je niet meer in de drukte of de stress, maar observeer je de drukte of de stress. Dat is al een wereld van verschil. Het is belangrijk dat je in deze fase niets moet veranderen of aanpassen aan de werkelijkheid buiten jou. Dit is gewoon de oversteek van doen naar zijn. Daarmee zet je de tweede stap in werking.’

    De tweede stap omvat het landen in het nu-moment. Björn Prins: ‘Het is het observeren en het ontspannen van het lichaam. Aandacht geven aan het lichaam impliceert altijd dat je hier-en-nu bent. Je lichaam bevindt zich nooit in het verleden noch in de toekomst. Landen betekent verder dat je je gezicht en je kaken ontspant, je schouders laat hangen, je handen in je schoot legt en een oefening doet waarbij je je bijvoorbeeld concentreert op de bewegingen van je buik. Het is niet de bedoeling dat je stopt met denken of dat je met een vingerknip zou gaan ontspannen. Het is wel een uitnodiging om je lichaam de nodige ontspanning te geven … Je laat de dingen zijn zoals ze willen zijn, niet noodzakelijkerwijs zoals jij wilt dat ze zijn.’

    Als derde stap ga je naar jezelf kijken, jezelf gewaarworden. Björn Prins: ‘Je laat toe wat er is. Wat er ook speelt in je gedachten, laat het toe. Noteer het mentaal als “denken, denken …”. Als er emoties zijn, laat deze dan evengoed toe. Je hoeft ze niet te veranderen. Je kunt ze gemakkelijk innerlijk opmerken. Alsof je in je eigen wereldje begint rond te kijken … Registreer zaken als vermoeidheid, zwaarte, druk of pijn, zonder meer. Zijn er geluiden? Oké, prima, merk ze gewoon op. Ervaar je de geluiden als storend, mooi, dan kun je meteen aan de slag gaan met het opmerken van irritatie …’

    Veel mensen met een hectisch beroepsleven durven het niet aan om eens te stoppen, te landen en te kijken, onder meer omdat ze denken dat ze dan niet productief en efficiënt bezig zijn. ‘Maar dat is een van de grote misvattingen. Wie geregeld de tijd neemt om stil te staan, te begrijpen en te kiezen – dat zijn kernwaarden van mindfulness – zal uiteindelijk tot 20 procent efficiënter werken. Daar bestaan studies over. Alleen als we aandachtig zijn in het nu, kunnen we onze talenten aanscherpen, gewoontepatronen doorbreken en de automatische piloot uitschakelen. Daardoor zullen we onszelf, anderen en de stroom van informatie juister zien en dus een vollediger beeld krijgen van de situatie. Dat heeft tot gevolg dat we beter begrijpen en voor meer effectieve oplossingen kunnen kiezen.’ (Bracke, 2010)

    In de stiltemomenten word je weer getuige van jezelf, anders ben je getuige van de ander. Het is een tool om het mogelijk te maken de dingen met een nieuwe blik te benaderen en vooral bewust te leven, of zoals Björn Prins het beschrijft: ‘Telkens opnieuw te kijken naar wat je boeit, naar de mensen om je heen, fouten kunnen maken en opnieuw beginnen, je collega’s zien en hen echt in de ogen kijken. Het is een soort innerlijke speelsheid die creatief en open maakt.’ (Prins, 2010)

    Meestal doe je in stilte je ogen dicht. Maar als je je ogen openhoudt en de stilte volhoudt, zul je de wereld daarbuiten op een andere manier gaan observeren. Het is moeilijk om uit te leggen wat stilte met je doet. Bij iedereen zal dat trouwens anders zijn. Bij mij zijn de eerste uren de moeilijkste, daarna gaat het wat gemakkelijker. Als het stil wordt, hoor ik eerst heel luid het lawaai in mijn hoofd. Mijn hoofd staat bijna nooit helemaal stil. Maar gedachten zijn maar gedachten. Als die storm na enkele uren gaat liggen, dan komt de creativiteit los. Indrukken worden intenser.

    Het hoeft trouwens niet per se stil te zijn om in jezelf deze drie stappen te doorlopen en even rust te kunnen vinden. Soms kom je in een discussie terecht. Als je dan even connectie met jezelf kunt maken en zo de stilte vindt, kun je vermijden dat je je emotioneel laat meeslepen in de discussie. Het kan ook in de file of tijdens het wachten bij het zetten van een kopje thee. Elk wachten kun je zo nuttig en bewust invullen.

    Bronwerking

    Als je in de stilte duikt, maak je contact met de wereld van je binnenkant. Er is zowel mentale, emotionele als fysieke activiteit. Er komen nieuwe ideeën, ingevingen. Alles borrelt vanzelf op. Door in stilte te wandelen krijg je een frisse blik. Het is alsof je jezelf de ruimte geeft om nieuwe verbanden te ontdekken. In de stilte krijgt je geest de ruimte om die verbanden vrij te gaan verkennen. Je leert de signalen van je eigen lichaam, je binnenwereld, weer op te pikken. Je voelt je ademhaling. Je voelt je hartslag. Je wordt jezelf veel bewuster van je eigen lichaam en de signalen die het uitzendt. Het maakt veel emoties los, ook vermoeidheid en spanning. Daarom alleen al is in de stilte duiken goed. Het hectische leven van alledag laat ons de signalen van ons eigen lichaam negeren. Dat gebeurt onbewust. Het niet luisteren naar ons lichaam sluipt in het zog van de drukte ons leven binnen. Als leidinggevende geef je jezelf continu. Het kan dan gebeuren dat je energiebron leeg raakt. Als je eigen bron opdroogt, kun je anderen niet blijven voeden. Het is dus belangrijk dat je je eigen bron continu voeding blijft geven. Stilte kan daarvoor als werkvorm dienen.

    Stilte maakt bij mij veel los. Je kunt mijmeren en wegdromen. Je kunt de dingen in je hoofd op hun beloop laten. Je kunt je hoofd laten leeglopen, en later weer laten vollopen. Vandaar dat het zo interessant is om als leider in stilte te gaan. Stilte biedt je de mogelijkheid om in contact te komen met jezelf als leider. De stilte zal dingen in je losmaken waardoor je op een andere manier naar jezelf en je onderneming gaat kijken. Er zullen je nieuwe inzichten en nieuwe ideeën invallen waaruit je nieuwe energie zult putten.

    Omgaan met je eigen stilte, met je eigen bezieling, met je eigen lichaam, zet je ook automatisch aan tot het meer ruimte geven aan anderen om zich natuurlijk te ontwikkelen. Je leert de organisatie dan te luisteren naar haar eigen lichaam en zichzelf te ontwikkelen op een natuurlijke wijze, zonder dat je daarvoor een bepaalde theorie hoeft toe te passen. 

     

    bewerkt uit: Joost Callens, De kwetsbare leider, bouwstenen voor persoonlijke ontwikkeling en leiderschap, LannooCampus, 2015


     

      Weg!

      Weg!

      Weg!

      Volgens Lao Tse dient een wijze niet te reizen. De wereld is immers overal hetzelfde. Dat is een diepe wijsheid. Het is vooral ook een wijsheid van wie in huizen woont en in dorpen leeft. Van veeboeren of landbouwers die dieren houden of de grond bewerken en daarom best niet te lang hun erf alleen laten. Eeuwenlang leefde het merendeel van de mensheid naar deze wijsheid. Het verre, de andere wereld bestond alleen in de verbeelding en in verhalen die zeelieden, ontdekkingsreizigers, rondtrekkende militairen en kooplieden verspreidden.

      Het gros van de bevolking ging in een heel leven slechts een paar keer op pad. Meestal te voet en in weinig comfortabele omstandigheden. In de middeleeuwen was dat vaak een pelgrimstocht – wat meteen een religieuze, haast rituele inbedding gaf aan het avontuur. Of je ging als jonge gezel op weg om uiteindelijk ergens – in een of andere kunst of ambacht – bij een meester in de leer te gaan. Er waren natuurlijk ook de jaarmarkten en kermissen in naburige dorpen of steden. Maar die geregeld weerkerende, korte tochten kun je bezwaarlijk reizen noemen. Ze waren vooral economisch van aard en dienden om elders – ver genoeg van de nabije familie – een geschikte huwelijkspartner te vinden.

      Tot voor kort was de mentale horizon van de meeste mensen beperkt. Die strekte zich uit tot een straal van enkele kilometer rond de plek waar ze van generatie op generatie woonden. In zekere zin geldt dit ook voor traditionele nomaden. Zij trekken niet – zoals wel eens ten onrechte wordt gedacht – lukraak rond, maar volgen aloude paden en patronen. Stapsgewijs bewegen ze, op het ritme van de seizoenen, mee met de kudde dieren waarvan ze leven.

      Tot er plots verandering kwam in al deze traditionele leefwijzen. De gesloten wereld van het vertrouwde nomadische of sedentaire bestaan brak open. Met de ontdekking en de kolonisering van de wereld vanuit Europa – zo’n vijfhonderd jaar terug – begon wat we vandaag ‘mondialisering’ noemen. Handel, nieuwe transportmiddelen en een ander mens- en wereldbeeld verruimden de horizon drastisch. Vanaf de 18de eeuw – met de Verlichting, de industrialisering en de opkomst van een kapitalistische, burgerlijke samenleving – groeide bij de geletterde, intellectuele elite het verlangen om de wereld zelf te exploreren en met eigen ogen te zien. Want reizen verbreedt en verdiept ook de innerlijke horizon, zo luidde de redenering. De moderne mens was geboren.

      Sindsdien valt de wereld niet meer buiten, maar binnen ieders horizon. Vandaag geldt nog steeds: naarmate mijn wereld verruimt, wordt de wereld kleiner. Dat is het adagium van de hedendaagse reiziger of toerist, die ruimtes, vergezichten, culturen, natuur… – weliswaar tegen betaling én altijd binnen een kort tijdsbestek – consumeert en verteert.

      Trein en stoomschip maakten reizen makkelijker, comfortabeler en betaalbaar. Tot de tijd van Thomas Cook in de jaren ’40 van de 19de eeuw was reizen het privilege van aristocraten en rijke bourgeoisie. De Grand Tour – vooral naar wat er nog restte van de antieke, mediterrane wereld – bood hen een ingrijpende ervaring die hen als persoon vormde en culturele bagage voor het leven gaf. Want de meeste reizigers kwamen na hun omzwervingen terug thuis. Met nieuwe indrukken en ideeën.

      In de jaren ’60 van de vorige eeuw zorgde het vliegtuig voor een ware revolutie. Iedereen in het Westen – en later ook Japanners, Russen, Indiërs, Arabische sjeiks, Chinezen en vele anderen – kreeg de mogelijkheid en het recht om te reizen. Dank zij onze paspoorten en creditcards mogen we massaal de hele wereld doorkruisen. De democratisering van het reizen leidde echter ook tot de teloorgang van de ‘kunst van het reizen’. Traag maar grondig werd ingeruild voor snel, veel en vluchtig. En zo werd savoureren consumeren – ontspanning, een vrijblijvende belevenis.

      In La vie en chemin de fer uit 1861 beschrijft de socialist avant la lettre Benjamin Gastineau de weldaden van het nieuwe reizen: ‘Overal zaait de reiziger op zijn weg de rijkdom van zijn hart en zijn verbeelding uit; aan iedereen geeft hij zijn goede boodschap […]. Hij spreekt de werkman moed in, en de onwetende haalt hij uit zijn sleur, de vernederde verheft hij.’ Dit blinde optimisme over de reis als ontsluiting en bevrijding van de wereld waar iedereen alleen maar beter van wordt, kunnen we anno 2015 niet meer delen. Tenzij je misschien als vluchteling uit Somalië, Syrië of Afghanistan vertrekt, in de overtuiging nooit meer terug te keren.

      Wij ondernemen vandaag veel meer buitenlandse reizen, al worden ons hart en ons verstand er nog nauwelijks door beroerd of gevoed. Het wereldwijde toeristische bedrijf lijkt vandaag eerder op het verplaatsen van weldoorvoede lichamen van hier naar daar (en weer terug). Maar op welk exotisch strand, in welke cultuurstad of rimboe je ook terechtkomt, avontuur, pret en luxe zijn verzekerd. Het internationale toeristische verkeer overschrijdt volgens de World Tourism Barometer inmiddels het miljard per jaar.

      Hiertegenover staan de talloze vluchtelingen, asielzoekers en staatlozen die op streng bewaakte, gesloten grenzen stuiten. Zij hebben alleen maar gammele roeibootjes, hun vege lijf en de dubieuze trukendoos van mensensmokkelaars om tot bij ons te komen. De Vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties – met haar zetel (ironisch genoeg) in het zorgeloze Zwitserse Genève – stelde eind 2014 dat het aantal mensen wereldwijd op de vlucht voor oorlog, onrecht of geweld, de zestig miljoen is gepasseerd. Daarbij is één derde het land ontvlucht, onder wie vier miljoen Syriërs. Bijna veertig miljoen mensen zijn ontheemd en op de vlucht in hun eigen land.

      Je land kwijtraken of je vertrouwde wereld voorgoed verliezen, je kunt het je als toerist maar moeilijk voorstellen. Voor ons lijkt het allemaal hetzelfde, maar er is wel duidelijk een verschil tussen een balling, een vluchteling, een uitgewekene en een emigrant, zoals de Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper en politieke activist Edward Said in zijn vermaarde essay Reflections on Exile [1984] me ooit leerde. Een balling is – zoals hij het toelicht – ongetwijfeld de meest ‘tragische thuisloze’. Wie – al dan niet op eigen kracht – moet vertrekken, is sowieso opgezadeld met een ‘beschadigd leven’. Ook Albert Einstein, de Duits-Amerikaanse, joodse politieke filosofe Hannah Arendt en vele Sovjetdissidenten waren jarenlang staatloos en konden hiervan meespreken.

      Wie ooit echt vertrokken is, komt nooit meer thuis. Stel je voor: je komt ergens terecht, je raapt de brokstukken van je leven samen en krijgt – in het beste geval – de nodige papieren. Je richt er een woonplek in en begint opnieuw. Maar emotioneel blijf je dakloos. Je voelt je uitgesloten of verstoten in een wereld, waar je altijd een vreemde zult blijven. Het hoeft geen verbazing te wekken dat de meeste 20ste-eeuwse ballingen vaak romanschrijvers, schakers en intellectuelen waren. ‘De leefwereld van een balling is logischerwijze onnatuurlijk en deze onwerkelijkheid lijkt op fictie,’ merkt Edward Said terecht op.

      En hij gaat verder: ‘Ballingschap is in de realiteit een verschrikkelijke ervaring. Het is de niet te herstellen kloof die onvrijwillig is ontstaan tussen een mens en de plek waar hij is geboren, tussen wie hij voor zichzelf is en zijn echte thuis: de diepe treurigheid ervan kan nooit worden overwonnen. En hoewel het natuurlijk zo is dat literatuur en geschiedenis heldhaftige, romantische, glorieuze en zelfs zegevierende momenten in het leven van een balling bevatten, dien je te bedenken dat dit niets anders dan inspanningen zijn om over het verlammende verdriet van de vervreemding heen te komen. De wapenfeiten als balling worden voortdurend ondermijnd door het verlies van iets wat je voor altijd hebt achtergelaten.’ Dat geldt evenzeer voor het grootste deel van de stroom vluchtelingen en asielzoekers vandaag. Ze zijn vogelvrij en stemloos.

      Sommige groten in de geschiedenis winnen hun oorlogen en groeien nog tijdens hun leven uit tot een held. Tot het tij en de wereld zich tegen hen keert. Napoleon verloor tweehonderd jaar geleden in Waterloo en werd voorgoed verbannen naar een eiland in het midden van de Atlantische Oceaan. Anderen ontvluchten sindsdien massaal het geweld, het onrecht en de oorlog in hun land. Ontheemd en vaak uit hun huis verdreven, leveren zij hun dagelijkse strijd en trachten te overleven. Velen raken onderweg verstrikt, verdwalen of vallen – soms letterlijk – uit de boot. Toch weten jaarlijks tienduizenden Europa te bereiken, maar vinden er geen bestemming.

      Lao-Tse kon het destijds niet voorzien, maar de wereld is niet langer overal hetzelfde. Of zoals een jonge Afghaanse vluchteling me onlangs zei: ‘Emigreren is vallen en opstaan richting het onbekende. Je past je aan, je gaat ertegen in, of je gaat eraan ten onder. […] Wij namen ooit de route van de wanhoop. Jullie hebben makkelijk praten, maar ons rest er geen keuze: er is geen weg terug.’

      Op 20 juni jl. was het – naar jaarlijkse gewoonte – Wereldvluchtelingendag. Voor de meesten van ons die straks op reis vertrekken, ging deze dag ongemerkt voorbij. Maar rusteloos en onbeschermd staan op dit moment meer dan twintig miljoen kinderen – overal ter wereld – aan een onzeker begin van hun leven. Voor hen staat reizen gelijk aan vluchten. Als opgejaagd wild. Achthonderdduizend Nigeriaanse en een miljoen Syrische kinderen op de vlucht schreeuwen om onze aandacht en hebben recht op een thuis, onderwijs, een veilige speelruimte en een toekomst. Voor hen is stilte geen optie.

      Joris Capenberghs is cultuurhistoricus en antropoloog. Hij beweegt zich – als wandelaar, publicist, vertaler en curator – op het snijvlak van landschappen, erfgoed, artistieke expressie en natuurbeleving. Hij is o.a. docent bij Amarant, Vormingplus en Davidsfonds Academie. In 2018 vertaalde hij voor Waerbeke het boek Ode aan het wandelen van de Franse antropoloog David Le Breton. 

      Pleidooi voor draadloze eenvoud

      Pleidooi voor draadloze eenvoud

      Pleidooi voor draadloze eenvoud

      Ik reis graag met de trein. Je ziet het landschap aan je voorbijglijden en geniet – als een buitenstaander – van alles wat stilstaat en beweegt. Huizen, bomen, spelende kinderen, volkstuintjes… Je hebt de tijd om te lezen en zo nu en dan eens lekker weg te dromen. Ja, het is vandaag voluit genieten. De lente borrelt, eindelijk, na een lange, herfstige winter.

      Het is zondagavond. Het wordt stilaan donker. Ik reis van de ene naar de andere kant van het land. In de coupé is het een voortdurend komen en gaan. Studenten zakken af naar Leuven, Brussel en Gent. Bijna iedereen heeft oortjes of een koptelefoon. Sommigen staren voor zich uit, anderen zijn druk in de weer met hun smartphone, spelen een game of kijken een film op hun tablet of laptop. Ben ik de enige die een boek leest? Het geluid van een mobiel apparaatje. Een bericht, per sms of e-mail. Even checken wie dat is.

      De mensheid rondom mij heeft duidelijk geen tijd om zich te vervelen. Iedereen is bezig, verkokerd in z’n eigen wereld en tegelijk om het minste afgeleid. Het geluid van een mobiel apparaatje. Een bericht, per sms of e-mail. Even checken wie dat is. Mijn buurman schrikt op en reageert meteen. De hoogst persoonlijke, digitale parallelle wereld van Facebook, Twitter en andere digitale media reist met ons mee, want die is niet aan plaats of tijd gebonden. Online lijkt ons bestaan transparant en zijn we alom aanwezig. We willen dat niets ons ontgaat en aan onze aandacht ontsnapt, maar is het nu net niet de echte, tastbare wereld die ons ontgaat?

      Buiten de kleurrijke, kruidige stem van een jonge, Afrikaanse vrouw die duidelijk moeite heeft om een gsm-oproep te beantwoorden, blijft het opmerkelijk stil in de wagon. Er worden geen gesprekken gevoerd. Ervaart niemand de ander als interessant? Tot een drietal oudere, heftig pratende dames opstapt.

      Vorige week las ik in een magazine een artikel over Me, my Selfie and I. ‘Deze nieuwe drie-eenheid’, zo stelde de auteur kernachtig, ‘is volop bezig onze harten en geesten te veroveren’. Zou het echt zo erg zijn? Bovendien blijken we verslaafd te zijn aan allerlei sociale media. Dat stond onlangs in de krant. We zouden er stress van krijgen en er niet bepaald gelukkiger van worden. Maar hoe geraken we af van die ‘oprukkende kijk- en vergelijkcultuur’ die ons als in een ‘virtuele spiegel’ op de hielen zit?
      Geen nood, Digital Detox biedt ongetwijfeld soelaas. Enkele tips. Wie genoeg heeft van het geblaat op Twitter, Facebook & co kan zich via de app Anti-social dagelijks tot acht uur van sociale media laten afsnijden. Voor een abonnement van een half jaar kost je dat wel 15 dollar. De app Freedom gaat zelfs drastischer te werk: voor ‘slechts 10 dollar’ word je acht uur lang ontkoppeld van al het digitale kabaal dat je leven binnendringt.

      Niet enkel virtuele afschermtrucjes, ook heuse digitale detoxkuren in dure ‘black hole resorts’ zijn vandaag in opmars. Wat te denken van een luxetrip van zes uur in een donutvormige ‘blooncapsule’ in de ruimte? De toeristische dienst van de eilandengroep St-Vincent & The Grenadines promoot een zevendaagse trip naar twee paradijselijke privé-eilanden in de Caraïben. Draagbare telefoons of tablets zijn er op het strand verboden. Bij aankomst staan de gasten hun elektronische hebbedingen af; die gaan in de kluis in quarantaine. In de comfortabele hotelkamer is geen computer of televisie te bespeuren. In de plaats daarvan leert een life-coach de toeristen af te kicken van hun technologische afhankelijkheid en communicatie.

      Steeds meer bedrijven verkopen letterlijk stilte
      Dichter bij huis kun je voor een lagere prijs terecht in diverse stiltehuizen, een ‘stiltehoeve’ en overal te lande in vele leuke, vaak erg rustig gelegen b&b’s. Stilte- of onthaastingstoerisme is hot, zoiets als ‘wellness on command’.

      Trendwatcher en journalist Nico Schoofs voorspelde het al enkele jaren terug: ‘Stilte is zo schaars dat ze veel geld opbrengt. Steeds meer bedrijven verkopen letterlijk stilte’. Dat klopt. Vandaag maken stille apparaten al een kwart van het topsegment van het Philips-aanbod uit. Hetzelfde geldt voor geluidsvriendelijke (vaat)wasmachines, grasmaaiers, scooters, auto’s… In Groot-Brittannië ijvert de Noise Abusement Society al tientallen jaren voor een stillere samenleving. Sinds begin 2012 kunnen huishoudspullen een ‘Quiet’-keurmerk krijgen. Ook de verkoop van op maat gemaakte oordopjes bloeit. Geen luxe, want uit recent Europees onderzoek blijkt dat zowat 20% van de jongeren tussen 18 en 25 gehoorproblemen heeft. Als grote schuldigen worden hoofdtelefoons en het teveel aan decibels in uitgaansgelegenheden aangewezen.

      Offline zijn mijn aandacht en concentratie scherper
      Ik heb geen digitale protheses en oortjes, geen apps, geen getwitter. Ik netwerk niet via Linkedln. Op Facebook word ik niet geliket. De vrienden die ik heb, bel ik gewoon en gelukkig zie ik hen af en toe. Beroepshalve gebruik ik e-mail, privé doe ik dat bedachtzaam en discreet. Zo nu en dan skypen doe ik wel, voor contact met wie wat verder woont. Mijn internetprofiel is zo goed als onbestaande en wordt zeker niet door mij gevoed. Ik krijg er veel voor in de plaats. Offline zijn mijn aandacht en concentratie scherper.

      Ik ben me graag bewust van tijd en ruimte. Daarom houd ik ook van oude, trage wegen. Weg van het snelle verkeer en het oorverdovende geraas van auto’s en vrachtwagens. Op spitsuren kom je er nog vooruit en soms op tijd. Dus wandel of fiets ik zo vaak ik kan. Op het ritme van de eigen adem en voeten. Er is meer speelruimte om wat langer bij iets stil te staan of over iets of iemand – desnoods mezelf – na te denken. En ik vind het ook leuk om iets dat ik niet weet in een boek op te zoeken, en om één op één, face to face, met iemand te praten.

      De meeste studenten en reizigers zijn intussen uitgestapt. De wagon is bijna leeg. Nog even en ik ben ter bestemming. Mijn boek, De vliegenval van de Zweedse bioloog en kunstcriticus Fredrik Sjöberg, is uit.

      Ik kreeg het onlangs van een vriend. Het is een openhartig, scherpzinnig pleidooi voor ‘verdieping, traagheid en het recht om een omweg te nemen in een tijd van effectiviteit en doelgerichtheid’, zo staat er op de binnenflap te lezen. Het gaat over zelfkennis, waarachtig leven, hartstocht, geluk (en het gebrek eraan) en de kunst om zich, in deze tijd van oneindige mogelijkheden, te beperken. Zo’n boek verdient het om langzaam te worden gelezen.

      Joris Capenberghs is cultuurhistoricus en antropoloog. Hij beweegt zich – als wandelaar, publicist, vertaler en curator – op het snijvlak van landschappen, erfgoed, artistieke expressie en natuurbeleving. Hij is o.a. docent bij Amarant, Vormingplus en Davidsfonds Academie. In 2018 vertaalde hij voor Waerbeke het boek Ode aan het wandelen van de Franse antropoloog David Le Breton. 

      Wat je hart vervult

      Wat je hart vervult

      Priscilla heet ze. Een jonge vrouw die op de Galapagos werkt als natuurgids, op de plaats waar Darwin zijn belangrijke observaties deed. Waarom ze dit doet? Omdat haar familie in financiële problemen zat, heeft ze een opleiding gevolgd. Nu heeft ze een inkomen. Of ze veel over Darwin geleerd heeft? Zeker. Wat ze er van vindt? O, de evolutieleer gaat wel over die schildpadden hier, maar niet over ons, over de mens. Nee, dat is in tegenstrijd met wat er in de Kerk verteld wordt. En dan zegt ze: ‘Het scheppingsverhaal gaat over het hart, over datgene wat je ziel vervult. Dat vind ik veel mooier dan de evolutieleer.’

      Dit gesprek komt uit de documentaire reeks waarin een aantal wetenschappers en filosofen de reis overdoet die Darwin met de Beagle maakte. Het is de programmamakers daarin duidelijk om het effect te doen. Hoe is het in godsnaam mogelijk? Iemand die dagelijk in contact komt met de leer van Darwin en toch het religieuze scheppingsverhaal stelt boven de evolutieleer?

      Maar in alle eerlijkheid: ik vind dat Priscilla hier een punt heeft. Laat er geen misverstand over bestaan: ik ben een door de wol geverfde darwinist. Daar gaat het niet om. Maar wat te doen met datgene wat je hart vult?

      Het is natuurlijk dood en doodzonde (sorry voor het glibberige taalgebruik) dat wetenschap en religie zo tegenover elkaar gezet worden. Wetenschap en religie zijn in het Westen sinds het einde van de middeleeuwen in een — in mijn ogen — ridicule strijd gewikkeld.

      Waarom toch? En waarom wetenschap en religie en niet bijvoorbeeld wetenschap en kunst? Het probleem zit blijkbaar in het feit dat beide claims menen te kunnen leggen op de werkelijkheid. En die claims spreken elkaar tegen. ’De aarde is het middelpunt van het het heelal’. ’Niets daarvan, de aarde draait om de zon.’ Er zijn zelfs brandstapels aan te pas gekomen!

      De ruzie over het zonnestelsel hebben we ondertussen bijgelegd. Maar ik heb ooit een hoogoplopende ruzie meegemaakt tussen een filosoof-theoloog en een filosoof-wetenschapper over de vraag of het leven al dan niet puur toevallig ontstaan is. Zo emotioneel en heftig dat ik achteraf niet anders doen kon dan tegen het hooggeleerd filosofisch gezelschap op te merken: ‘Dat niemand mij nog komt vertellen dat filosofie over de rede gaat.’

      Waarom willen sommige religies zo nodig de wetenschap tegenspreken? En waarom willen sommige wetenschappers zo nodig datgene wat iemands hart vervult, naar de prullenbak verwijzen? En blijkbaar doen ze daar allebei even emotioneel over.

      Waar ik van gruwel, is een koude wetenschap die de werkelijkheid ‘onttovert’ en die mensen een gevoel van totale zinloosheid wil aanpraten. Met in haar kielzog een neoliberalisme, dat enkel nog op winstbejag uit is.

      Waar ik van gruwel, is een fundamentalistische religie die meent de mensen te kunnen zeggen wat ze moeten geloven, welke kleren ze moeten dragen, wie vriend en wie vijand is, wie de wijsheid in pacht heeft en aan wie ze zich moeten onderwerpen. Ik kijk hiermee even goed naar het boeddhisme als naar iedere andere religie.

      Waar ik van droom, is een middenweg. De notie van de middenweg is een van die mooie dingen in het boeddhisme. Het moet niet óf-óf zijn. Er is een derde weg die beide overstijgt. ‘Tertium datur’* zou je tegen een filosoof kunnen zeggen.

      Voor mij is zen, zoals ik het ooit geleerd heb, de mooiste expressie van die middenweg. Let wel: voor mij — voordat iemand er weer een algemeen geldende wetmatigheid van probeert te maken.

      Waar ik van droom zijn plaatsen waar je kunt komen zitten, samen, in stilte, en je hart openen. Waar je kunt komen zitten met de bereidheid om even alle willen en niet-willen, alle weten en niet-weten achterwege te laten. Niet om daar te blijven maar om van daaruit weer de wereld in te stappen, en te willen en te weten. Om in ons levensonderhoud te voorzien. Om te doen wat nodig is. Misschien om wetenschap te bedrijven, of iets anders. Om te leven.

      Veel is daar niet voor nodig. Geen geloof, geen moeilijke theorieën, geen vreemde gewaden, geen verlichte meesters. Enkel het verlangen om dat te doen en voldoende vertrouwen in dat verlangen om het een plek te geven.

       

       

      Deze column verscheen tevens in het boek ‘Iedereen weet. Zen en religie in tijden van wetenschap’ (Lannoo, 2015).

      (*) De wet van de derde of van het midden (Latijn letterlijk: ‘een derde is gegeven’)

       


       

        Ondoorgrondelijke stilte

        Ondoorgrondelijke stilte

        Kunnen we neerzitten in een ondoorgrondelijke stilte die door niets wordt gehinderd, niet omdat we ons van het lawaai kunnen afsluiten maar omdat we het toelaten?

        De ‘Hymne aan de Wijsheid voorbij alle wijsheid’ van de oude Indische leraar Rahulabhadra is een overvolle schatkist. Ik pluk er enkele parels uit.

        Wees gegroet, ondoorgrondelijke stilte, die door niets wordt gehinderd,
        als de eindeloosheid van het universum.
        Iedereen die Jou waarachtig zo beleeft.
        raakt daarmee tevens aan de Boeddha’s.

        Ondoorgrondelijke stilte. Ik had me al maanden van te voren voorgenomen om over deze tekst te spreken op onze sesshin. Ik heb heb hem talloze keren herlezen en beluisterd. Het is de meest gespeelde track in mijn iTunes bibliotheek. En iedere keer werd ik stil. Er kwamen geen woorden meer, enkel stilte. Ik werd ongerust of ik er wel zou kunnen over spreken. Ik kon niet anders dan wachten tot ik bij de teisho, een beetje naakt, voor de groep zat niet wetend of er wel woorden zouden komen.
        Rahulabhadra spreekt Prjanaparamita aan en noemt haar een ondoorgrondelijke stilte, een stilte die door niets wordt gehinderd. We verlangen zo naar stilte. We zoeken haar op, ook in de meditatie.
        Zo gaat dat. Je wil mediteren, je wacht tot iedereen het huis uit is, je trekt de stekker van de telefoon uit, je steekt een wierookstokje aan, je gaat op je favoriete kussen zitten … en dan begint je buurman enkele huizen verder het gras te maaien. Of op sesshin, daar zit je dan, eindelijk even teruggetrokken uit de beslommeringen van je dagelijkse bestaan, op een mooie plek, met allemaal fijne mensen, in de stilte van de zendo, de diepe klank van de gong … en blijkt er twee kilometer verder een scoutskamp te zijn, waar ze die ochtend besloten hebben de buurt te vergasten op loeiharde muziek.
        Ik heb het in al die jaren dat ik mediteer vaak meegemaakt dat deelnemers aan een sesshin klagen over gebrek aan stilte. Er blijken kinderen te wonen op het domein, er is een drukke weg in de buurt, er is een andere groep in hetzelfde gebouw … Het verstoort onze concentratie. We denken dat we ons met alles wat we in huis hebben op maar één ding moeten richten: alleen maar de adem tellen, alleen maar de koan … Al de rest is verstoring. Idem dito voor het innerlijke geraas. ‘Al die gedachten houden mij weg van die diepe innerlijke stilte in mij waar ik zo graag wil bij komen’, zei mij iemand op een retraite.
        Maar er zijn twee soorten stilte. Er is de stilte die alle geluiden probeert uit te sluiten. Dan betracht je een diepe concentratie die niet meer door geluiden, van binnen of van buiten gestoord wordt. Zeker, dergelijke intense lang aangehouden concentratie kan tot allerlei intense ervaringen leiden. Als het dat is wat je zoekt.
        Rahulabhadra heeft het over een heel andere stilte, een stilte ‘als de eindeloosheid van het universum’. In het universum is er veel plaats, heel veel. Het is een stilte waar àlle geluiden welkom zijn. Een stilte die niets uitsluit. Een stilte waarbij ieder geluid, zoals de componist John Cage het uitdrukte, de stem van de Boeddha is. Niet enkel de geluiden van buiten, alles wat zich aandient.
        Kunnen we op ons kussen zitten terwijl die scouts daar de tijd van hun leven hebben, waar ze misschien jaren later nog over spreken, en kunnen we daar zitten in een ondoorgrondelijke stilte die door niets wordt gehinderd, niet omdat we ons van het lawaai kunnen afsluiten maar omdat we het toelaten? Misschien kunnen we zelfs meeresoneren met het genieten. En kunnen we op ons kussen zitten en de maalstroom van gedachten en gevoelens toelaten, ruimte geven?
        Kunnen we daarin bevrijding vinden?

        Edel Maex

        Deze column verscheen tevens in het boek ‘Iedereen weet. Zen en religie in tijden van wetenschap’ (Lannoo, 2015).