Christine Fettweis, Gerolf T’Hooft, Greet Heylen en Dirk Sturtewagen schrijven namens Waerbeke, de sociaal- culturele organisatie die zich inzet voor het belang van stilte in de samenleving te midden van toenemende drukte, polarisering en zinverlies.
Zowat 13.000 Vlamingen namen deel aan De Oorzaak, het grootschalige burgeronderzoek naar omgevingsgeluid in Vlaanderen, een van de drukste regio’s van Europa. De resultaten, die werden voorgesteld op de eindsymposia in Leuven, Gent en Antwerpen, bevestigen de ziekmakende condities waaraan te veel Vlamingen blootgesteld zijn. Toch lossen zij de belofte van de campagnetitel niet helemaal in.
Het gemotoriseerde geluid dat onze steden doordrenkt, is meer dan storende achtergrondruis. Het is de auditieve afdruk van onze hyperactiviteit. We proberen de gevolgen te dempen met schermen, asfalt, elektrificatie en isolatie, terwijl dat niets anders is dan symptoombestrijding. De bron van lawaai ligt dieper: in onze fixatie op snelheid en productiviteit, in onze drang naar continu aanwezig en bereikbaar zijn. De auto, de smartphone, de agenda vol efficiënt ingeplande momenten lijken de totems van een cultuur die beweging waardeert boven kwaliteitsvolle aandacht.
De cijfers van De Oorzaak zijn onverbiddelijk: in bijna de helft van de stedelijke meetpunten overschrijdt het verkeersgeluid de officiële gezondheidsdrempel. Achter die decibels schuilt een cultuur van permanente onrust en stress. Het lawaai van motoren en banden is het klankspoor van een dopamineverslaafde samenleving die altijd meer wil – almaar sneller, almaar luider.
Stilte, een privilege
We leven, zoals de Nederlandse Raad voor Volksgezondheid en Samenleving in zijn recente advies noemt, in een hypernerveuze samenleving. Onze samenleving is haar eigen onrust gaan
normaliseren. We vullen elk stil moment met een scherm of een to do en noemen dat efficiëntie. Stilte lijkt een bedreigende leegte die we zo snel mogelijk moeten vullen.
De hypernerveuze samenleving is niet enkel een mentale toestand, maar ook een sociaal-economische constructie. Ze wortelt in een groeimodel dat voortdurend meer vraagt – meer consumptie, meer productie, meer rendement – en daarvoor systematisch menselijke en natuurlijke hulpbronnen uitput. Wie in dat patroon niet meedraait, valt uit de toon. Meer nog: stilte is een privilege aan het worden, iets wat je moet kopen, organiseren, beschermen.
Toch legt De oorzaak ook een tegenbeweging bloot. Waar natuurgeluiden hoorbaar zijn, daalt de spanning en neemt de verbondenheid toe. Mensen die in hun habitat vaker natuurgeluiden kunnen waarnemen, rapporteren meer tevredenheid over hun leefomgeving. Het is alsof dit oerritme ons herinnert aan de natuur waarin we ooit thuishoorden.
Daarin ligt een maatschappelijke opdracht. Geluidsbeleid mag niet beperkt blijven tot het reduceren van lawaai, maar moet ook gericht zijn op het herstellen van stilte als basisrecht en gemeengoed. Stilte is geen luxeproduct, maar biedt een noodzakelijke ruimte voor herstel, creativiteit en echte ontmoeting.
Culturele en structurele omslag
De hypernerveuze samenleving tot rust brengen vergt meer dan technische oplossingen. Het vraagt om systemisch inzicht in het samenspel van winstmaximalisatie, economische expansie en energieproductie, en de desastreuze impact ervan op mens en natuur.
Fundamenteel gaat het om een culturele en structurele omslag: een samenleving die stilte, rust en ruimte niet als verlies van groeipotentieel ziet, maar als voorwaarde voor duurzame leefkwaliteit. Een samenleving die zorg draagt voor voldoende mentale rust en weer leert luisteren – naar elkaar, naar de omgeving, naar wat niet luid maar levend is.
Misschien is dit wel de belangrijkste verdienste van het burgeronderzoek: dat de zaak van de oren ons kan leiden naar de échte oorzaak. Die ligt niet louter in het gemotoriseerde lawaai dat we met zijn allen produceren, maar in onze blinde gehoorzaamheid aan het wereldwijde energieverslindende superorganisme dat ons op het doodlopende spoor van toenemende versnelling en ongebreidelde consumptie houdt.
Column gepubliceerd in De Morgen op 13 oktober 2025.