Header Website 20160311

Wandelen in het landschap van Meister Eckhart

Als men over die moeilijke ‘interculturele dialoog’ spreekt, wordt steevast in horizontale termen gedacht. Ik en de ander, de ander en ik in dezelfde levensruimte én dezelfde tijd. Maar even moeilijk als bij horizontale processen verloopt die dialoog echter ook verticaal. Dan gaat het over ik en de ander in een voorbije ruimte, in een andere tijd. Lang geleden. Ieder individueel levenspatroon wordt blijkbaar beïnvloed door gebeurtenissen en ideeën van minimum vier generaties ‘voorouders’. Maar voor een (altijd taaie) cultuur gaat dat nog over veel meer eeuwen en betreft het zeer grote groepen mensen.

Voor mij zijn – al dan niet voorbije – culturen zoals landschappen. Ze staan altijd onder druk. Het kan er waaien. Het kan er luidruchtig aan toe gaan. Maar je vindt er ook altijd stilteplekken. De respectievelijke filosofieën zijn zulke stilteplekken. Het is bijna onmogelijk om luidruchtig te filosoferen. In welke eeuw je ook afdaalt, je ontmoet er mensen die willen nadenken - het lijkt wel mediteren - over het feit dat de werkelijkheid groter, omvattender, mysterieuzer is dan zijzelf. Bij die ontmoeting door de eeuwen heen is er nooit luid geschreeuw, want de oervraag rijst steeds opnieuw: waar kom ik vandaan, wat staat er mij te doen, en waar ga ik heen? Een filosoof heeft bij dat onderzoek ook altijd zijn intellect, zijn verbeelding en een mede-denker nodig. (Eventueel een vóórdenker, iemand die vóór hem heeft gedacht.) Anders heeft zijn liefde voor de wijsheid geen zin. In dat gesprek ontdekten sommigen zelfs dat filo-sofie eigenlijk gaat over de wijsheid van de liefde. Je filosofeert immers altijd ten behoeve van een waarheid die je nooit alleen kunt en zult vinden.

Om aan die gesprekken in en met vorige eeuwen deel te nemen, maakt de ‘moderne’ mens zich best weer vrij. Vrij van zijn eventueel vastgeroest taalgebruik, vrij van zijn bekrompen en gekrompen geest, vrij van zijn alwetendheid en zelfgenoegzaamheid. Hij moet weer vrijheid bieden aan zijn opgesloten verbeelding, want zonder verbeelding geraak je immers niet bij het vrije denken van de filosoof van lang geleden.

In een tekst van de Chinese dichter Tschuang-tse wordt verteld over de Gele Keizer. Hij verliest op weg naar huis zijn nachtkleurige parel. Daarop vraagt hij de wetenschap, de kritiek en de logica haar te gaan zoeken. Maar ze vinden de parel niet. Uiteindelijk vindt het Niets de nachtkleurige parel. Daarop zegt de keizer: ‘Merkwaardig: het Niets dat niet werd gestuurd en niets ondernam, heeft de parel gevonden.’

Een dergelijk inzicht vind ik in mijn eigen cultuur van 700 jaar geleden ook terug. Die zelfde gedachte doemt namelijk op bij de grote mystagoog en filosoof Meister Eckhart (1260-1328). De dominicaan Eckhart was een van de meest briljante geesten die het Westen ooit heeft gekend. Zijn mystieke en filosofische inzichten stonden op gespannen voet met de officiële kerkelijke opvattingen over God en de essentie van het bestaan. Om die reden moest hij zich op het eind van zijn leven verantwoorden bij de paus in Avignon. Of hij ter plekke stierf of onderweg naar huis is niet duidelijk. Hoe dan ook, hij werd postuum veroordeeld voor 28 zinnen.

Als ik wil - en ik wil dat - ga ik naast hem wandelen in zijn (filosofisch) landschap. Ik tracht mij voor zijn blik, zijn taal en zijn inzichten open te stellen en te luisteren naar wat hij te vertellen heeft. Meister Eckhart was trouwens ook letterlijk voortdurend onderweg. Te voet. Hij legde zoals vele bedelbroeders soms tot 40km per dag af en nam zich tijdens het stappen de tijd om na te denken over Gods schepping en de schepselen die erin vertoeven. Raar maar waar, in die tijd was God of G’d of de oergrond ‘an sich’ geen probleem.

Gaandeweg ontdekte hij dat de mens een geheugen (memoria), een intellect (intellectus), en een wil (voluntas) had. De drie vermogens van de ziel heetten ze toen. Daarmee kon men zich in deze schepping bewegen. Van de drie was voor Eckhart het ‘intellect’ het belangrijkste. En nog wezenlijker dan het intellect was voor hem het topje van de ziel, het ‘vonkje’, het ‘burchtje’ waar zich een hoger intellect bevond dat de impuls gaf voor het lager intellect om door te gaan met stappen, met leven.

Stappen betekende telkens het stof van je schoenen schudden, verder bewegen in de richting van het loslaten, het achterlaten. Leven zonder waarom, noemde hij het. ‘Weg afleggen zonder weg,’ suggereerde hij. Steeds weer het pure ‘nihil van het schepsel-zijn’ nabij komen. Want waar de mens zelf minder vol is van zichzelf, stroomt automatisch het goddelijke dat in het ‘vonkje’ van de ziel altijd paraat staat, het leven binnen. Wil de mens echt mens worden, moet hij van zichzelf genezen door het goddelijke landschap in zichzelf toe te laten. Hij zei en schreef: ‘Ik ben er zo zeker van als ik leef dat mij niets zo nabij is als God. God is mij meer nabij dan dat ik mezelf nabij ben; mijn zijn hangt af van het feit dat God nabij en tegenwoordig is!’

Zo lees ik de geschriften van mijn compagnon de route van 700 jaar geleden, voor wie God zich onderweg steeds uit liefde tracht te baren in dat vonkje van de zich zuiverende mens, wiens ‘eros’ au fond niets anders wil dan die liefde terug te baren. God is een (zijns)vat dat liefdevol overstroomt te midden van de shit. Want ook in Eckharts tijd had je alle kwalen die met menswording gepaard gaan. Het was een tijd van brandstapels, kruistochten, van pest en gore armoede, van gevechten om de macht tussen pausen onderling en tussen pausen en koningen, van de worsteling met het vorige geestelijke patrimonium dat geen afdoend antwoord kon bieden aan de noden en de kritische vragen van de tijd.

Eckhart was origineel en dacht out of the box. Hij wou een geestelijke onthechting, geen fysieke ontbering. Zoiets als een verinnerlijkte ascese. Hij bekritiseert de veel te sentimentele religieuze gewoontes waarbij een vrome praxis ‘bijna dient tot accumulatie van eigen geestelijk bezit,’ schrijft Alois Haas in zijn boek Meister Eckhart, op zoek naar de goddelijke essentie. ‘Voor Eckhart is zoiets een egocentrische vroomheid, een afvallig worden tegenover het loslaten (Gelassenheit). Eckhart wil een zuiver verinnerlijkte houding die hem vrijmaakt voor de actie naar buiten. De mens blijft dan actief in het brede veld van wat noodzakelijk is voor het heil van de naaste.’ Actie en contemplatie houden elkaar in balans. Er is helemaal geen tegenstelling.

De Meester stapte door het Europese landschap en trachtte in het Nu te leven, zijn eigen mens-zijn te transformeren, zich niet in de shit te verliezen, maar hem telkens weer te overstijgen. Die boodschap deelde hij als geleerde-onderweg ook aan de ‘gewone’ mensen in hun eigen voertaal mee. Niet in het Latijn, maar in het alledaagse Duits van zijn tijd. Hij richtte zich tot ‘elckerlic’ en had oog en oor voor alleman, de ‘gewone man’ die ook toen geringeloord werd door on-zin en vaak niet wist wat hij met al die manipulaties moest. ‘Loslaten,’ zei Eckhart, ‘wat je hoort en wat je ziet, IS niet…’

In mijn fantasie liepen dagelijks mensen een eind met hem mee. Gewoon om samen te filosoferen over ‘God’-in-de-mens. Want zonder mens zou God toch nergens zijn? Wat viel er dan nog te baren? Ooit zei me een monnik: ‘Met filosofie raak je al een heel eind op weg. Je wordt er stil van. En dan kan er weer iets groeien.’

 

Marc Colpaert

NIEUWSBRIEF

Regelmatig informeert Waerbeke over de werking van de beweging. Schrijf u in op de nieuwsbrief en blijf op de hoogte!
Please wait

banner Waerbekehuis

Conferentie banner 2017

... en activiteiten via UITdatabank